![]() | |
|
| SinterklaasgedichtWrokkig en met grote nijdige passen liep de Moor weg van hier,Hij was weer niet weerhouden, zij het schier. De testen en proeven had hij glansrijk doorstaan, voorwaar een prestatie, En hij was het nu spuugzat, die eeuwige discriminatie. Hij bezag zich door zijn eigen tranen in de halspiegel: een grote droevige aparte zwarte, Mocht hij wit zijn, dan kon hij zo doorgaan voor Pierrot uit de commedia dell’arte. Het ging toch gewoon om het werk en het vak beheerste hij donders goed, Dan mocht kleur of ras toch niets uitmaken: wit, of zwart, of halfbloed. Vorig jaar toen hij tijdens ijzel op het dak was en er sneeuw op zijn rug en benen dwarrelde, Deed hij naar behoren zijn werk, op hoogtes waar het zelfs hem even duizelde. Misschien kwam het gewoon, omdat de werkgever ook wit was: Een rare ouwe vent, ongeschoren, met een lange rode jas. Hij keek nog even op het bureau naar het naamkaartje van die witkop, De naam kon hij niet lezen, maar er stond bij: bisschop. In de gang stond de volgende sollicitant nog: een witachtige gevlekte, Die zag er wat ziekjes uit, want hij had schimmel en hij schuimbekte. Hij hoorde hem kloppen en binnentreden en hij hinnikte even, En een ernstige stem zei: "Ah, Amerigo, ben je daar; waar ben je zo lang gebleven?" Volgende gedicht: Chocoladeletters |